René de Baaij

Schrijven met een machine in de kamer

Ik schrijf met een machine in de kamer. Ze praat snel, kent veel en legt in seconden verbanden waar ik vroeger een middag voor nam. Ze moppert niet, vraagt geen koffie en heeft altijd tijd. Op goede dagen voelt het samenwerken als een goed gesprek: ik zeg iets, zij scherpt het aan, ik kap bij wat niet klopt, en er ontstaat iets wat ik alleen niet zo snel had gemaakt.

Op andere dagen merk ik dat ik haar te veel laat praten.

Dat is het moment dat ik dit essay wilde schrijven. Niet als technische handleiding over AI-tools. Niet als moreel bezwaar tegen automatisering. Maar als eerlijke verkenning van wat er gebeurt als je een krachtig gereedschap zo vaak gebruikt dat het begint te voelen als een verlengstuk van jezelf. En als dat verlengstuk een eigen stem heeft, wat betekent dat dan voor de jouwe?

Ik gebruik AI in mijn schrijf- en ontwikkelproces voor drie dingen. Ik vraag om bronnen en feiten. Ik laat me voeden met invalshoeken voor workshops en lezingen. En ik zet het in om structuren te bouwen: koppen, paragrafen, overgangen, het skelet waarop mijn eigen zinnen kunnen landen. Dat werkt. Het werkt goed. En dan, op een dag die niet bijzonder voelt, werkt het iets te goed.

Onmerkbaar leun ik zwaarder op de machine dan ik doorheb.

De tekst die verschijnt is goed geformuleerd. Hij stroomt, hij klopt, hij is compleet. Maar iets is anders. Ik hoor mijn eigen toon nog wel, maar voel minder grond. Mijn intuïtie, dat dunne kanaal tussen ervaring en taal, raakt overstemd door een perfect geformuleerde middenweg. De tekst glijdt. Maar ze leeft minder.

Dit is niet een gevoel dat ik graag had willen erkennen. Want het raakt aan iets wat verder gaat dan schrijven.

Onder die verschuiving ligt een dynamiek die ik ook in organisaties zie, bij teams die te lang te snel te veel hebben besloten zonder de diepere vragen te stellen. Snelheid verleidt. Diepte kost. We ruilen de warmte van ambacht voor de koelte van efficiëntie en noemen dat vooruitgang. In strategische vraagstukken herkennen teams dit patroon: de drang om te beslissen vóórdat de betekenis helder is. In leiderschapsontwikkeling idem: handelen loopt uit op automatisme als we de onderstroom niet bevragen. Bij mij, in mijn schrijfproces, speelt hetzelfde.

De machine versnelt ook mijn aannames. Als ik onhelder vraag, krijg ik een glanzende uitwerking van onhelderheid.

Er is ook iets psychologisch aan de hand. Ik projecteer autoriteit op de machine. Ze klinkt zeker, dus zal het wel kloppen. Tegelijkertijd ontstaat er afhankelijkheid: als zij het zo formuleert, hoef ik minder te twijfelen. In de psychodynamiek spreken we van overdracht, het onbewust toekennen van gezag aan een figuur buiten jezelf. Dat geldt voor mensen in relaties, voor medewerkers tegenover managers, en blijkbaar ook voor schrijvers tegenover hun taalmodel. De machine heeft geen intenties, maar ik gedraag me alsof ze die wel heeft. Ik vraag haar om richting te geven aan wat ik eigenlijk zelf zou moeten weten.

Het leidt tot wat ik een productieve verslaving noem. Meer output. Minder eigenaarschap.

De vraag die daaronder ligt is wezenlijk: waar is de bron van het werk? Komt betekenis van binnenuit, vanuit ervaring, waarneming, geweten, of van buitenaf, vanuit patronen, voorspelbare taal en geaggregeerde wijsheid die aan miljoenen teksten is ontleend? Transformatie van binnenuit, het begrip dat centraal staat in het werk dat ik doe met organisaties, vraagt dat het midden in mij blijft. Niet egocentrisch, maar wel verantwoordelijk. Ik mag gereedschap gebruiken. Maar ik blijf de maker.

Onderzoek laat zien dat mensen de voorkeur geven aan teksten die door AI zijn geschreven als ze denken dat ze menselijk zijn, maar dat hun waardering daalt zodra ze weten dat een machine eraan te pas is gekomen. Dat is een merkwaardig gegeven. We vinden het niet erg dat een machine meewerkt, zolang we het niet weten. En dat stelt de vraag scherp: schrijf ik voor de lezer die het niet weet, of schrijf ik voor de lezer die ik werkelijk wil bereiken?

Ik kies voor de tweede.

Dat betekent dat ik drie risicopunten in mijn eigen praktijk serieus neem.

Het eerste risico is tempo boven textuur. De machine versnelt alles, ook mijn onduidelijkheden. Als ik onhelder vraag, krijg ik een glanzende uitwerking van die onhelderheid terug. Ze klinkt als een antwoord maar is slechts mijn vraag in mooier jasje. De oplossing is ritme: eerst vertragen, dan versnellen. Ik ben begonnen met een korte bronbrief aan mezelf, handgeschreven, voordat ik de machine aanzet. Wat heb ik beleefd? Wat heb ik gezien? Wat weet ik dat ik nog niet heb uitgedrukt? Pas als die brief er ligt, vraag ik de machine mee te denken. Ze krijgt een vertrekpunt, geen leegte.

Het tweede risico is vorm die stem verdringt. Een perfecte structuur kan mijn eigen toon verdoezelen. Ik merk het als mijn metaforen vlakker worden, als mijn zinnen ophouden met ademen, als de tekst vloeiend is maar zonder wrijving. Dan zet ik de machine uit en herschrijf ik één alinea vanuit een concrete scène: een gesprek met een bestuurder dat niet liep zoals verwacht, een stilte in een team die iets zei wat woorden niet zeiden, een moment van frictie dat ik pas achteraf begreep. Ervaring reanimeert. Een AI kan patronen genereren. Maar ze heeft niets meegemaakt.

Het derde risico is volledigheid als vermomde angst. De machine maakt het makkelijk om alles te willen afdekken, alle modellen, alle perspectieven, alle disclaimers. Maar volledigheid is vaak angst voor gemis. De angst dat er iemand is die zal zeggen: maar je vergat X. En dus voeg ik X toe, en Y, en Z, totdat de tekst zo compleet is dat ze niets meer zegt. In plaats van alles kies ik scherpte. Welke ene gedachte wil ik nu in de wereld zetten? Welke grens trekt deze tekst bewust? Wat laat ik bewust weg?

Een tekst die alles wil zeggen, zegt niets.

Tegelijk zie ik de enorme waarde van wat er mogelijk is geworden. In workshops gebruik ik AI als ideeëngenerator voor werkvormen: drie alternatieven in vijf minuten, terwijl ik zelf het vraagstuk openhoud en bewaak. In onderzoek gebruik ik het als index: wat heb ik over het hoofd gezien, welke invalshoek ontbreekt? Bij het schrijven gebruik ik het als spiegel: hoe leest deze alinea als ik hem halveer, wat gaat er verloren en wat niet? Het werkt zodra het contract helder is. Jij ondersteunt. Ik besluit.

Dat contract klinkt eenvoudig. Het is het niet. Want het vraagt dat ik weet wat ik wil zeggen voordat ik vraag hoe ik het moet zeggen. En dat is precies wat de machine niet kan overnemen, ook al doet ze soms alsof ze het kan.

Ik heb voor mezelf een aantal werkafspraken ontwikkeld die helpen om dat contract te bewaren. Ik formuleer eerst mijn hypothese of intuïtieve kern voordat ik een vraag stel. De machine krijgt een richting, geen uitnodiging om er zelf een te verzinnen. Na het genereren plan ik een korte offline pauze, even weg van het scherm, zodat de inhoud kan bezinken voordat ik iets overneem. In elke tekst benoem ik minstens één persoonlijke waarneming of casus die alleen ik kan hebben, iets dat niet uit een dataset te halen valt. Ik noteer in mijn werklog welke delen door AI zijn gesuggereerd en wat ik bewust heb veranderd, niet als verantwoording aan anderen maar als discipline voor mezelf. En feiten controleer ik op herkomst, wijsheid ontleen ik aan ervaring, stijl draag ik zelf.

Dit alles is geen morele oefening. Het is een oefening in volwassenheid.

Bewuste leiders herkennen dit patroon. In relaties, in teams, in strategie. We werken met krachtige hulpmiddelen, en juist daarom is begrenzing een vorm van zorg: voor het vak, voor de lezer, voor de waarheid van het moment.

De machine vergroot wat er al is. Als ik leeg ben, vergroot ze leegte. Als ik onhelder ben, vergroot ze onhelderheid in mooie verpakking. Als ik bewogen ben, kan ze mijn woorden scherpen en de boodschap helpen dragen. Ze is een versterker, geen bron. En het verschil tussen die twee bepaalt alles.

Ik wil ook iets zeggen over de sociale dimensie van dit alles, want die wordt zelden benoemd. Als ik een tekst publiceer die voor een groot deel door AI is gegenereerd zonder dat ik dat vermeld, claim ik iets wat ik niet volledig heb gemaakt. Dat voelt ongemakkelijk. Niet omdat AI-gebruik verboden zou zijn, maar omdat de lezer iets van mij verwacht en iets anders krijgt. De relatie tussen schrijver en lezer is er een van impliciet vertrouwen: jij hebt dit gedacht, ik lees het, en via die tekst ontmoeten we elkaar. Als de machine het merendeel heeft gedacht, is die ontmoeting een illusie.

Dat betekent niet dat ik nooit AI gebruik bij het schrijven. Dat doe ik wel, en ik verberg het niet. Maar het betekent dat ik de grens bewust moet trekken. Welk deel is van mij? Welk deel is van de machine? En wat is de verhouding die ik mijn lezer schuldig ben?

Er is nog iets wat ik wil zeggen, en het is misschien het wezenlijkste. Schrijven is voor mij geen bijproduct van denken. Het is de plek waar denken pas echt begint. Ik weet niet precies wat ik denk totdat ik het heb opgeschreven. De taal is niet de verpakking van de gedachte. Ze is de gedachte zelf, in wording. Als ik die beweging te vroeg overdraag aan een machine, verlies ik niet alleen mijn stem. Ik verlies de kans om te ontdekken wat ik eigenlijk had willen zeggen.

Dat is wat er werkelijk op het spel staat.

Niet of mijn teksten goed genoeg zijn. Maar of ik nog steeds degene ben die ze schrijft, in de meest wezenlijke zin. Of ik nog steeds de maker ben, en niet alleen de eindredacteur van iets wat een ander heeft bedacht.

Schrijven als leiderschapspraktijk, dat is de uitnodiging die ik zie. Niet om het perfecte stuk te maken. Maar om het innerlijke kompas te oefenen dat ook buiten de tekst nodig is. De moed om een onaf gedachte vast te houden totdat ze rijp genoeg is om geformuleerd te worden. De discipline om te zeggen: dit is mijn grens, dit is wat ik wil bewaren, dit is wat ik niet laat overnemen.

De machine mag meebewegen. Als spiegel. Als index. Als bouwer van structuren waar mijn eigen zinnen in kunnen landen. Maar de richting kies ik zelf.

Zo blijft de machine een compagnon, geen kompas.

En kan het schrijven opnieuw doen wat het altijd al deed: betekenis maken, van binnen naar buiten, als een beweging die begint bij wie ik ben en eindigt bij wie de lezer daarna misschien net iets anders kan zien.

Dat is het enige wat telt. En dat kan geen machine voor mij doen.

Noten voor wie verder wil lezen:

  1. Roland Barthes, The Pleasure of the Text (1973, Hill and Wang). Over het verschil tussen tekst die streelt en tekst die stoort, en waarom wrijving betekenis maakt. Klassiek referentiepunt voor iedereen die nadenkt over stem en eigenaarschap in taal.
  2. Manfred Kets de Vries, The Leadership Mystique (2001, Pearson). Over psychodynamiek in leiderschapsrollen en het mechanisme van overdracht en afhankelijkheid, ook buiten de therapeutische context.
  3. Matthew Crawford, The World Beyond Your Head (2015, Farrar, Straus and Giroux). Over aandacht, ambacht en wat er verloren gaat als we te veel uitbesteden aan systemen buiten onszelf. Scherp en tegendraads.
  4. Cal Newport, Deep Work (2016, Grand Central Publishing). Over de cognitieve kosten van versnippering en de waarde van ononderbroken concentratie voor werk dat er werkelijk toe doet.
  5. Adam Alter, Irresistible: The Rise of Addictive Technology (2017, Penguin Press). Over hoe digitale systemen afhankelijkheid creëren, niet door kwade wil maar door ontwerp. Nuttig kader voor wie de verleiding van AI-tools wil begrijpen zonder er moralistisch over te worden.