René de Baaij

De zon brandt overal gelijk. De schade niet

De zon brandt gelijk op elke huid, zou je denken. Maar de kaart van oververhitting kleurt donkerder waar het leven lichter zou moeten zijn.

Hittegolven slaan het hardst toe waar ramen enkelglas zijn, waar bomen ontbreken, waar airco’s onbetaalbaar zijn.

Het is een ongemakkelijke waarheid: zelfs het klimaat kent geen gelijke behandeling. De temperatuur stijgt, en met haar de zichtbaarheid van systemisch onrecht dat er allang was, maar dat zich nu letterlijk laat aflezen op een thermometer.

Wat op het eerste gezicht een natuurverschijnsel lijkt, wordt bij nader inzien een spiegel van hoe we samenlevingen inrichten. En die spiegel vraagt iets van ons allemaal, zeker van wie invloed kan uitoefenen op hoe steden, organisaties en systemen worden gebouwd.

Wat natuurlijk lijkt, is vaak het resultaat van eeuwen aan keuzes, zichtbaar en onzichtbaar. De wijken die nu het meest lijden onder hittegolven zijn niet toevallig zo gebouwd. Ze weerspiegelen decennia van politieke besluiten, economische ongelijkheid en ruimtelijke ordening die kwetsbaarheid reproduceren, generatie na generatie, zonder dat iemand op een specifiek moment bewust besloot dat het zo zou moeten zijn.

Systemen hebben de neiging zichzelf in stand te houden. Ze herhalen patronen, ook als die schadelijk zijn, soms zo subtiel dat we het pas zien als de gevolgen onmiskenbaar worden.

En in zo’n systeem werken wij allemaal. We vervullen er rollen, houden structuren in stand, vaak zonder het te merken. Wie aan de top zit, voelt zich soms verantwoordelijk, maar ook gevangen. Want hoe herstel je iets wat groter is dan jijzelf, als je zelf deel bent van het patroon dat je probeert te veranderen?

Echte verandering begint niet met nóg een beleidsplan, maar met de bereidheid om werkelijk te zien, en geraakt te worden door wat je ziet.

Ik begeleidde eens een bestuurder die zich wanhopig afvroeg waarom haar inclusiebeleid geen verschil maakte. De cijfers bleven hetzelfde. De verhalen uit de organisatie even pijnlijk als voorheen. En toch had ze alles goed gedaan: beleid opgesteld, trainingen ingevoerd, werkgroepen geformeerd, precies zoals het in elk handboek staat.

In een vertrouwelijk gesprek kwam de onthulling. Ik kom zelf uit een wijk als deze, zei ze. En ik ben daar al mijn hele carrière van weggevlucht.

Haar inzet voor anderen raakte aan een innerlijke vermijding. Het systeem in haar kende de pijn, maar had zich georganiseerd rond overleving: aanpassen, doorgaan, presteren, en vooral niet stilstaan bij waar ze ooit vandaan kwam. Toen ze die dynamiek durfde te ontmoeten, veranderde haar leiderschap. Ze werd minder controlerend, luisterde met meer openheid. Niet als redder, maar als medemens. En langzaam begon er iets te verschuiven, in haar team, in de organisatie, en in haar eigen relatie tot macht.

In elk systeem is er een laag die onder de oppervlakte blijft: ongemak, pijn, schuld, schaamte, zaken die niet passen bij de gewenste identiteit van de groep.

In organisaties kan dat gaan over besluiten die ten koste zijn gegaan van mensen of gemeenschappen. Over ongemerkte bevoordeling van sommige groepen boven andere. Over onuitgesproken verlies, van collega’s, van projecten, van vertrouwen dat ooit is gebroken en nooit echt is herbouwd. Zolang die laag niet wordt gezien, blijft ze het systeem beïnvloeden, soms zichtbaar in conflict of verloop, soms subtieler in het verlies van energie of initiatief dat niemand precies kan plaatsen.

Het vergt moed om die laag te betreden, niet om haar direct op te lossen, maar om er eenvoudigweg bij te blijven. Dat is vaak al genoeg om beweging te brengen, omdat erkenning zelf al een vorm van verandering is, ook voordat er een concreet plan is.

Wie bewust wil handelen in een systeem, kan zichzelf drie vragen stellen. Waar sta ik, niet alleen in functie of hiërarchie, maar in het geheel van relaties, belangen en geschiedenis die mij hier hebben gebracht? Wat houd ik in stand, soms onbedoeld, door mee te bewegen met gewoonten die ongelijkheid of uitsluiting bestendigen zonder dat ik het zo bedoel? En wat durf ik te voelen, wetend dat niet alles meteen naar actie hoeft te leiden, en dat verandering soms begint bij het toelaten van ongemak, rouw of woede in plaats van bij het wegredeneren ervan?

Deze vragen zijn geen eenmalige oefening, maar een manier om wakker te blijven in je rol, ook op de dagen dat het makkelijker zou zijn om niet te kijken.

Wanneer we ongelijkheid zien, willen we vaak direct in actie komen. Maar handelen zonder te voelen kan leiden tot technische oplossingen die de onderliggende dynamiek ongemoeid laten.

Een nieuw project, een extra budget, een campagne, ze zijn waardevol, maar niet altijd voldoende. Soms wordt het systeem alleen maar efficiënter in het vermijden van de kern, beter in het produceren van de schijn van vooruitgang zonder dat er werkelijk iets verschuift. Daarom is vertraging soms het meest radicale wat je kunt doen. Pas als we werkelijk contact maken met wat er speelt, in onszelf, in de groep, in de geschiedenis die ons heeft gevormd, kan actie wortel krijgen die langer houdt dan de volgende beleidscyclus.

Wat vraagt jouw plek in het systeem van jou, juist nu? Niet als beleidsmaker, leider of verantwoordelijke, maar als mens met een verhaal, een geschiedenis, en een invloed die groter is dan je soms beseft. Misschien begint jouw bijdrage niet bij een plan, maar bij een gesprek. Niet bij een oplossing, maar bij erkenning.

Wat wordt er zichtbaar als je niet probeert te fixen, maar te voelen?

Noten voor wie verder wil lezen:

  1. Bert Hellinger, Ordnungen der Liebe (1991, Carl-Auer). Over systemische ordeningen en hoe individuen onbewust patronen in stand houden die groter zijn dan zichzelf.
  2. Robin DiAngelo, White Fragility (2018, Beacon Press). Over de psychologische mechanismen die maken dat erkenning van systemisch onrecht zo moeilijk blijft, ook bij mensen met goede bedoelingen.
  3. Otto Scharmer, Theory U: Leading from the Future as It Emerges (2009, Berrett-Koehler). Over de noodzaak van vertraging en werkelijk waarnemen voordat actie wortel kan krijgen.
  4. Wilfred Bion, Learning from Experience (1962, Heinemann). Over containment en het vermogen om collectieve spanning te verdragen in plaats van haar te vermijden.
  5. Pierre Bourdieu, The Logic of Practice (1990, Stanford University Press). Over hoe sociale structuren zich reproduceren via gewoonten en routines die zelden bewust worden herkend.