René de Baaij

Governance als beschaving 3/12

Er is een valkuil die juist competente mensen treft. Je gaat het debat winnen.

Je komt met argumenten. Met analyses. Met redelijkheid die je hele leven al voor je heeft gewerkt, op school, in je vorige functies, in elke discussie waarin de feiten uiteindelijk de doorslag gaven. Je gelooft, diep van binnen, dat als je het maar goed uitlegt, het kwartje valt.

Maar in een context waarin macht personaliseert, wint status zelden van logica.

Dan is de feitelijke spelregel een andere dan de regel die op papier staat: wie het hardst kan bepalen wat waar is, bepaalt wat waar is. Niet wie het beste argument heeft. Wie de meeste invloed heeft op wat als waarheid gaat gelden in de kamer.

Dat is een ontnuchterende vaststelling voor iemand die gewend is dat goede argumenten winnen. Het voelt bijna als verraad aan je eigen vaardigheden om te erkennen dat overtuigingskracht hier niet het instrument is dat werkt. Maar het erkennen van die werkelijkheid is de eerste stap naar een aanpak die wél iets oplevert.

De uitweg is niet harder praten. De uitweg is verschuiven van inhoud naar bedding. Van improvisatie naar mandaat. Van de persoon naar de rol. Dat klinkt formeel, misschien zelfs bureaucratisch, maar in de praktijk is het een vorm van bescherming: governance als beschaving.

Governance is het stille akkoord dat besluiten niet afhankelijk zijn van iemands humeur op een gegeven dag. Dat rollen groter zijn dan de persoonlijke relaties tussen de mensen die ze bekleden. Dat regels niet alleen gelden voor wie weinig macht heeft, en stilletjes vervagen voor wie veel macht heeft.

Onderzoek naar organisatorische rechtvaardigheid bevestigt waarom dit zo’n krachtig tegenwicht biedt. Procedurele rechtvaardigheid, de eerlijkheid van het proces waarmee besluiten tot stand komen, blijkt consistent een van de sterkste voorspellers van vertrouwen in leiderschap, zelfs wanneer de uitkomst van een besluit ongunstig is voor de betrokkenen. Mensen accepteren een vervelende uitkomst eerder als het proces eerlijk was, dan een gunstige uitkomst die via een ondoorzichtig proces tot stand kwam. Dat is precies waarom mandaat-taal zo effectief is: ze verlegt het gesprek van wat er wordt besloten naar hoe het wordt besloten, en dat tweede is veel moeilijker te manipuleren dan het eerste.

Er is nog een reden waarom dit mechanisme zo sterk werkt, en die heeft te maken met wat onderzoekers de legitimiteit van een proces noemen. Een besluit dat via een herkenbaar en herhaalbaar proces tot stand komt, behoudt zijn geldigheid ook als de persoon die het besluit nam later vervangen wordt, of als de omstandigheden veranderen. Een besluit dat alleen steunt op het gezag van één persoon op één moment, verdwijnt zodra die persoon zijn aandacht verlegt of zijn mening verandert. Governance is daarom niet alleen een bescherming tegen willekeur vandaag. Het is een vorm van continuïteit die de organisatie overeind houdt op de momenten dat individuele leiders falen, wisselen of zich anders gedragen dan verwacht.

Hoe ziet dat eruit in de praktijk, in taal? Het zijn de vragen die de structuur terugroepen naar het gesprek. Niet beschuldigend van toon, eerder nieuwsgierig, bijna saai in hun precisie.

Wat is hier het mandaat? Wie is eigenaar van dit besluit? Welke criteria gebruiken we om te bepalen of dit de juiste keuze is? Waar leggen we dit vast, zodat we er later op kunnen terugvallen?

Als je dit goed doet, voelt het alsof je de kamer langzaam terugzet in een volwassen stand. Je haalt de elektriciteit uit het duel, de emotionele lading die elk gesprek tot een persoonlijke krachtmeting maakt. Je legt een rail neer waarover het gesprek móét rijden, ongeacht wie er aan het stuur zit op dat moment.

Psychodynamisch is dit een breuk met het impliciete familiesysteem dat in dit soort dynamieken vaak ontstaat zonder dat iemand het zo heeft bedoeld. De leider als ouderfiguur, de medewerkers als kinderen die voortdurend proberen te raden wat vandaag veilig is om te zeggen of te doen. Dat systeem is niet alleen oncomfortabel, het is ook regressief: het trekt volwassen professionals terug naar een afhankelijkheidspositie die niets te maken heeft met hun feitelijke vaardigheden of verantwoordelijkheden.

Mandaat-taal zet jou terug in een volwassen positie. Jij bent rolhouder in een systeem, niet een kind dat toestemming vraagt aan een ouder. Je vraagt niet om goedkeuring voor je gevoel of je waarneming. Je vraagt om kader, om de structuur waarbinnen iedereen, inclusief de leider, zou moeten opereren.

Dit psychodynamische punt verdient nog wat meer aandacht, omdat het verklaart waarom zo veel mensen in deze situatie zich onmachtig voelen, ook als ze objectief gezien capabel en ervaren zijn. In een gezonde organisatie functioneert iedereen als volwassene tegenover volwassene: gelijkwaardige partijen die binnen hun eigen rol verantwoordelijkheid dragen en elkaar daarop kunnen aanspreken. In een dynamiek waar macht personaliseert, glijdt de structuur ongemerkt af naar iets anders. De leider wordt de figuur die bepaalt wat goed en fout is, wat beloond en afgekeurd wordt, vaak op basis van stemming meer dan op basis van consistente criteria. De medewerkers, hoe senior en ervaren ook, raken in een positie die psychologisch lijkt op die van een kind dat voortdurend de stemming van een ouder moet aflezen om te weten wat veilig is. Dat is geen overdrijving. Het is een herkenbaar patroon dat in de psychodynamische literatuur uitgebreid is beschreven, en het verklaart waarom volwassen, competente mensen zich in deze dynamiek soms kinderlijk klein en onzeker gaan voelen, ook al zijn ze dat in elke andere context van hun leven niet.

Je kunt weerstand verwachten wanneer je dit voor het eerst inzet. Governance wordt in dominante contexten vaak belachelijk gemaakt. Bureaucratie, wordt er dan gezegd. Remmend. Niet ondernemend genoeg voor de snelheid die nodig is. Maar kijk eens goed naar wat er werkelijk wordt verdedigd wanneer iemand zich tegen governance verzet: vrijheid zonder verantwoording. En precies daar heeft het systeem last van, want vrijheid zonder verantwoording is wat de willekeur in stand houdt.

Het helpt om governance te koppelen aan iets wat iedereen daadwerkelijk wil, niet als rookgordijn maar omdat het waar is: snelheid op de lange termijn, kwaliteit die houdbaar is, voorspelbaarheid die mensen in staat stelt om hun werk goed te doen. Niet omdat je je moet verantwoorden aan een hogere macht, maar omdat je het gesprek op de plek wilt houden waar het niet gemanipuleerd kan worden door wie er op dat moment de meeste informele macht heeft.

Maak het klein om te beginnen. Eén format voor besluiten, zodat iedereen weet wat er minimaal moet worden vastgelegd. Eén plek waar afspraken worden teruggevonden, zodat niemand afhankelijk is van zijn geheugen of van wat iemand anders zich toevallig herinnert. Eén ritme waarin besluitvorming en uitvoering niet door elkaar lopen, zodat een besluit dat eenmaal is genomen niet halverwege de uitvoering weer ter discussie kan worden gesteld zonder dat daar een formeel moment voor is.

En dan, misschien het belangrijkste onderdeel van alles: consequent zijn. Niet dramatisch. Niet militant, alsof je een kruistocht voert. Gewoon, elke keer weer, op precies dezelfde manier de structuur terugbrengen in het gesprek.

Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Consistentie wordt voortdurend op de proef gesteld, vooral in het begin, wanneer de oude patronen nog de norm zijn en jouw nieuwe aanpak als afwijkend voelt, zelfs voor jezelf. Er zal een moment komen waarop het makkelijker voelt om mee te gaan in een snelle, informele beslissing dan om te vragen naar het mandaat. Dat moment is precies de test. Als je daar één keer voor zwicht, leert het systeem dat jouw vraag naar structuur onderhandelbaar is, en daarmee verlies je de kracht die je net had opgebouwd.

Het is de moeite waard om dit van tevoren te accepteren, in plaats van te hopen dat het anders zal gaan. De eerste paar keer dat je naar mandaat of criteria vraagt, zal het ongemakkelijk aanvoelen, misschien zelfs voor jezelf overdreven formeel. Dat ongemak is geen teken dat je het verkeerd doet. Het is een teken dat je een patroon doorbreekt dat lang genoeg heeft bestaan om als normaal te voelen. Naarmate je het vaker doet, verschuift niet alleen hoe anderen erop reageren, maar ook hoe het voor jou zelf aanvoelt. Wat in het begin geforceerd lijkt, wordt na een aantal herhalingen je nieuwe, natuurlijke manier van werken.

Neem vandaag een kwartier. Kies één terugkerend onderwerp dat steeds verschuift, een besluit dat steeds opnieuw lijkt te worden genomen zonder dat er ooit een definitief moment is geweest. Schrijf op: welke tafel beslist hierover, welke input hoort daarbij, waar komt het besluit te staan zodra het genomen is.

En stel jezelf daarna een eenvoudige vraag die veel zegt over waar je energie de afgelopen tijd naartoe is gegaan: waar heb jij te lang geprobeerd om gelijk te krijgen, terwijl je eigenlijk mandaat moest herstellen?

Het verschil tussen die twee, gelijk krijgen en mandaat herstellen, is het verschil tussen een gevecht dat je voert en een structuur die je bouwt. Het eerste put je uit. Het tweede houdt stand, ook op de dagen dat jij niet in de kamer bent.

Noten voor wie verder wil lezen:

  1. Tom Tyler, Why People Obey the Law (2006, Princeton University Press). Klassiek onderzoek naar waarom procedurele rechtvaardigheid een sterkere voorspeller is van acceptatie dan de uitkomst van een besluit zelf.
  2. Jerald Greenberg & Russell Cropanzano, Advances in Organizational Justice (2001, Stanford University Press). Over hoe procedurele eerlijkheid vertrouwen in leiderschap opbouwt, onafhankelijk van de inhoud van besluiten.
  3. Stafford Beer, The Brain of the Firm (1972, Allen Lane). Over governance en besturingsstructuren als noodzakelijke voorwaarde voor levensvatbare organisaties, ongeacht wie er op een bepaald moment de leiding heeft.
  4. Manfred Kets de Vries, The Leadership Mystique (2001, Pearson). Over de psychodynamiek van ouder-kindpatronen die ontstaan in hiërarchische relaties zonder heldere governance.
  5. Chris Argyris & Donald Schön, Organizational Learning: A Theory of Action Perspective (1978, Addison-Wesley). Over het verschil tussen wat organisaties zeggen te doen en wat ze daadwerkelijk doen, en hoe structuur dat gat kan dichten.